Bron: Historisch Vereniging Zuidoost - Drenthe, P.Mensingh


Den Over, een oude Zuidoost - Drentse buurtschap, waar de tijd lang leek stil te staan, en dat enkel door middel van zandwegen in verbinding stond met de 'buitenwereld'.

"Nog zuidelijker dan den Angelslo ligt het Emmer- of Bargermeier. Voor Drenthe, dat van moeder Natuur geen breede stroomen of wijd gestrekte wateren als pülegift mee kreeg, is dit meir nog al een aanzienlijke plas. Aan peilen en meten dachten wij niet; anders gaven wij u de   gemiddelde diepte en den omtrek op.   Dat er lekkere paling en baars in gevangen wordt, willen wij ook gaarne aantekenen, op verzoek van onzen gedienstigen gids en tot lokaas, des noods, voor alle vaderlandse gastronomen".

Dat schreven de podagristen in 1843 over het meer waaraan de oude buurschap Den Oever op een hooggelegen uitloper van de Hondsrug aan de zuid-oostkant van Emmen was gelegen, 1.

Voordat de vervening een aanvang nam was Den Oever aan de oostzijde begrensd door het Oosterveld dat op zijn beurt weer deel uitmaakte van de Bargervenen. Aan de westzijde lag een veel lager gebied waardoor het Bargermeer kon ontstaan terwijl de westkant van dit lage gebied weer overging in een parallellopende uitloper van dezelfde Hondsrug. Het tussen deze uitlopers gelegen gebied van ongeveer 400-500 ha, afhankelijk van het jaargetijde- had een zodanige 'diepte' dat het op natuurlijke wijze een waterbassin kon vormen. Op deze wijze ontstond een watergebied dat werd aangeduid met de naam Bargermeer hoewel op oude kaarten ook de naam Emmer-meer - niet te verwarren met het Emmermeer aan de noordzijde van Emmen!- voorkomt. 2).


Dit artikel is tot stand gekomen naar aanleiding van een van de vele   foto's die in het begin van de vorige eeuw gemaakt zijn door Ja n Oosting, vader van de stichter van het huidige Dierenpark Emmen, Willem Sjuck Johannes Oosting. De in 1863 in Emmen geboren Oosting overleden in 1941had niet alleen een intense belangstelling voor dieren, ook met het fotograferen van met name landelijke taferelen in de   omgeving van zijn geboortedorp hield deze natuurliefhebber zich bezig. Zeker in die tijd een opvallende bezigheid! Een van zijn foto's ziet U   onderstaand en is gemaakt 'op' Den Oever. Een aanleiding om ons te verdiepen in een aantal aspecten van de geschiedenis van deze buurschap. 3)




Gelegen aan het water, is het zeer aannemelijk dat Den Oever een zeer oude nederzetting is. Vast staat dat Den Oever reeds in 1634 voorkomt op de kaart van Cornelis Pijnacker, in die periode waarschijnlijk woonachtig in Meppel.   De   Pijnacker-kaart is de oudste bekende kaart van Drenthe. De inwoners van Den Oever hebben in het verleden in hoofdzaak altijd geleefd van de landbouw. De landbouw-gronden bestonden uit twee essen: de Oeverse es en de Oevermanskamp.

Eerstgenoemde lag achter het Oevermansbos en bestond ui t kleinere akkers met veldnamen als Toren• akkers, Veenakkers en Kolvoorn- akkers; laatst genoemde es bestond uit de Voorste, Middelste en Achterste kampakker. De gronden leverden vooral aardappelen en rogge. In de jaren '30 van de vorige eeuw bedroeg de oppervlakte van het Oeverse bos zelf ongeveer een hectare.

Kenmerkend waren de eiken- en berkenbomen met als ondergewas hulst en sporkenhout. Planten als zevenster, salomons-zegel, orchideeën en bosbes kwamen veelvuldig voor.

Met betrekking tot de fauna kwamen talrijke vogelsoorten -waar onder de nachtegaal en de wielewaal- voor.

In 1930 was Geert Oevermans -14 maart 1931 op 88-jarige leeftijd overleden- eigenaar van dit bos. Het gezin Oevermans-Blide woonde op dat moment in een meer dan honderd jaar oude boerderij die een brand in 1846 had overleefd. Verderop komen we hier op terug.

Op de hoogveengronden -gepacht van de markegenoten van Noord- en Zuidbarge- verbouwde men boekweit met het bijkomend voordeel dat dit product geen bemesting nodig   had. 4). Tussen Den Oever en het meer lag de z.g. Kalverkamp, een perceel groenland dat als weide voor jonge kalveren werd gebruikt. In het meer zelf waren twee diepere gedeelten, de zogenaamde kollings. Zo kende men de Fokkenkolling en de Oevermans- kolling of Oevermanskolk. In dit verband is het opmerkelijk dat in de volksmond Oranjedorp in vroegere jaren ook wel Kollingsveen werd genoemd.

's Zomers werden de koeien geweid op de droogliggende hogere delen van het meer. Om het vee te bereiken moest men vaak tot aan het middel door het water waden. Midden in dit ondiepe meer lag overigens de zogenaamde grondeloze kuil die door vrijwel iedereen werd gemeden. Op verschillende plaatsen staken echter stukken land boven het water uit, waarnaar 's zomers de koeien werden gedreven. Bij hoog water kwam het daarbij meermalen voor dat de boeren of koejongens die de dieren naar deze weideplaatsen brachten -en   daar verder ook de hele dag verbleven- "zich geheel of gedeeltelijk moesten ontkleden om hun kleren droog te houden". 5) Op deze 'eilandjes' werd ook intens gezocht naar de eieren van de veel voorkomende watervogels. Vandaar ook de aanwezigheid van een eendenkooi bij Den Oever. Evenals de in het meer voorkomende vis werden ook de gevonden eieren door de inwoners van Den Oever geconsumeerd.

Door het droogvallen van het Bargermeer werd later het areaal landbouwgrond uitgebreid.

Dit laatste vond plaats in 1858 toen men met het graven van het Oranjekanaal vanaf Smilde Zuid• barge had bereikt. Men verkreeg toestemming het meer droog te leggen via een afwatering naar dit nieuwe kanaal.

Met deze drooglegging kwam er niet alleen een eind aan het veelvuldig consumeren van eieren en vis maar ook verdween het gebruik van palingvet voor de verlichting, zoals niet alleen de inwoners van Den Oever maar ook die van Angelslo gewend waren. De betekenis van de visvangst was voor de inwoners van Den Oever blijkbaar zo groot dat ze in het verleden een aanbod van een aantal "Haagsche Heren" om het visrecht te kopen voor f.300,= afsloegen. Met name paling kwam namelijk erg veel voor. Op 14 oktober 1940 vertelt J.Jipping aan A.Mulder: "Bijna elke maaltijd bestond uit vis. Vet werd door de inwoners niet gekocht daar deze vis rijk aan vet of traan was. Er waren geen mensen die alleen van de visvangst leefden. Ieder ging voor zich zelf vis vangen of steken, zoals het toen   genoemd werd". 6).

Een gewoonte -hoewel niet specifiek voor Den Oever- die hier nog wel eens voorkwam, was het in een boom ophangen van de nageboorte -de zogenaamde hamel- van een veulen.

Des te hoger opgehangen des te fierder het dier zijn kop later omhoog zou houden. Een beschadigde hamel was voor het dier niet zo best: hij -of zij- zou een moeilijk leven tegemoet gaan. Was de hamel door bijvoorbeeld een hond opgevreten dan zou hem -of haar- maar een kort leven beschoren zijn..

Na de drooglegging ontstond het probleem van de verdeling van de gronden. Men kwam tot de oplossing door de verdeling te laten afhangen van het aantal schapen dat een betrokken boer bezat.

"In het geval dat deze laatste in het bezit van bijvoorbeeld 400 schapen zou zijn en een veronderstelde grootte van het meer van 400 ha had deze boer recht op 4/10 x 100 ha, dus 40 ha.", aldus de heer Jipping.

De berekening was waarschijnlijk in de praktijk erg ingewikkeld want tot een definitieve verdeling is het nooit gekomen. Wellicht was ook een juiste meting van de oppervlakte van de bodem van het meer niet zo eenvoudig want dat is er zelfs nooit van gekomen: het bleef voorlopig één 'mandielig' d.w.z. onverdeeld weide• gebied. De gemeenschappelijke schapenweg, 200 meter liggend ten zuiden-oosten van de Angelsloërdijk, werd door de volmachten van de marke verkocht.

In 1665 vielen de troepen van de Duitse bisschop Christof Bernhard Freiherr von Galen -i n de volksmond 'Bommen Berend' genoemd- ons land binnen. Door plundering en roof werd ook Emmen zwaar gehavend. Het verhaal gaat dat deze Hannoveraanse troepen twee bronzen klokken uit de kerk hadden geroofd. De bedoeling was de klok met de slee -het was hartje winter- over het Bargermeer te vervoeren maar men zakte in de zogenaamde Oevermans-kolk met klokken en al volledig door het ijs. De soldaten bleken nog wel in staat te zijn één klok mee te voeren. Het zware geval zouden ze op de terugweg in Wesuwe -vlak over de grens- hebben achtergelaten. Vooral bij vorstig, helder weer was de klok in Emmen soms te horen waarbij hij door zijn droevige klank aangaf dat hij daar op een ongerechtigde wijze verzeild was geraakt en graag weer naar Emmen teruggehaald wilde worden..

In de periode 2e helft 19e eeuw-Ie helft 20e eeuw   ontstonden waardevolle landbouwgronden en werden boerderijen gebouwd op de voormalige bodem van het Bargermeer. Een van de eerste bewoners van het drooggelegde gebied was Harm Nijhof. Later nam zijn zoon Harm de boerderij over en bouwde een andere zoon, Geert, in 1914 een nieuwe boerderij. Op deze plaats vinden we nu de DRAKA-fabriek. Aan het begin van het huidige Bargermeerkanaal stond vroeger het boerderijtje van Mans Seubers,   aan de zuidkant van het huidige industrieterrein dus. Naast het pand van de familie Seubers stond de boerenwoning van de familie Derks. Met de komst van de industrie omstreeks het jaar 1950 kreeg het gebied weer een andere functie, namelijk dat van industrie-terrein nadat zowel Angelslo als Den Oever pas op 19 december 1930 op het electrisch net waren aangesloten


Voor wat betreft de bewoning van Den Oever hebben we er al op gewezen dat deze buurtschap naar alle waarschijnlijkheid reeds in de prehistorie werd bewoond. Zonder de pretentie te hebben naar volledigheid te streven willen we ingaan op de geschiedenis van een aantal families van wie sommige reeds voor de wisseling van de 17e eeuw/18e eeuw op Den Oever hebben gewoond.

Buiskool geeft aan dat als oudste familienamen die van Oevermans, Sikken en   Christiaans   kunnen worden genoemd. Doordat   het dubbele woonhuis van   Luchien Sikken en Albert Christiaans, evenals de boerderij van Roelof Oevermans in de avond van vrijdag 28 augustus 1846 door brand verloren ging, bleef er slechts één pand staan, dat overigens ook het eigendom was van de familie Christiaans. Dit pand werd later bewoond door Geert   Oevermans. De   familie   Christlaans   vertrok    naar De Maten,   gelegen   tussen   Roswinkel en Ter Apel.

In het hoofdstuk Leven In het veen, voorkomende in Geschiedenis van Emmen en Zuidoost-Drenthe (Meppel-Amsterdam 1989) vermeldt A.Geitz dat in 1846   de woningen van Ja n Rabbers, Albert Kristiaans en Hilligje Luikens, weduwe van Jacob Dijks, landbouwers op Den Oever, afbrandden.


"Voor de geleden schade, respectievelijk f.985,70, f.423,- en f. 629,- mochten ze een collecte houden geen van drie was verzekerd- in de   gemeenten van de kantons Assen en Hoogeveen, gedurende vier weken vanaf 9 november.   De opbrengst, f.290,65 moest aan de burgemeester van Emmen afgedragen worden, die het geld verdeelde, respectievelijk f.90,-, 40,-, en   f.60,-. Ieder kreeg dus ongeveer 10% van de geleden schade vergoed."


Als gevolg van de brand werd op een hoger, meer noordelijk gelegen terrein, ook wel De Hoven genoemd met toestemming    van    de    markegenoten van Emmen en Westenesch het aanvankelijk   Nieuw   Den Oever' gesticht dat uit vijf huizen bestond: drie voor de familie Oevermans, één voor de familie Sikken en één voor de familie   Christiaans.7). Deze laatste zien we op de foto van Ja n Oosting. Momenteel   wordt   het   bewoond   door de familie (Hendrik) Stel. Verderop komen we hier op terug.

De familie Oevermans had zich reeds voor 1800 op Den Oever gevestigd. De boerderij die in 1846 in vlammen opging, werd bewoond door een zoon van Geert Oevermans, Roelof geheten.

Hij was gehuwd met Jantien Hilbrands. De boerderij-Sikken, die ook in vlammen opging, werd bewoond door Luigien Sikken, gehuwd met Aaltien Oevermans die toen reeds was overleden. De boerderij-Oevermans is tot 1976 blijven staan toen het pand opnieuw door brand werd getroffen. Het is overigens wel weer opgebouwd.

Roelof en Jantien hadden vier zonen en één dochter: Geert (*1842), Roelof (*1844), Hindrikus (*1847) en Jantien (*1849) en Hendrik   (*1851).   Hendrik en Jantien   namen   in    1878    de boerderij   over   door   hu n   broer Hindrikus uit te kopen. De laatste vertrok in genoemd jaar naar Amerika. Hendrik Oevermans blijft ongehuwd en zuster Jantien trouwt in 1884 met de in 1841 in Valthe geboren Mans Stel. Verderop   komen we daar op terug. Geert trouwt met Trientje Blide, afkomstig uit Vlagtwedde. Heet echtpaar kreeg vier zonen   t.w. Roelof   (*1893),   Jan (*1894), Berend (*1896), Trientje (*1899) en Geert (*1909). Opvallend is dat van deze kinderen alleen Berend in het huwelijksbootje stapt.   Hij doet dat met Jantien Nessing.   Zij krijgen twee kinderen: Jantje (*1929) en Geert (*1932).

In 1935 hebben de vier ongetrouwde kinderen de boerderij op Den Oever verlaten om een nieuwe aan de toenmalige Dordsestraat -n u Oude Meerdijk- tussen Angelslo en Bargeroosterveld te laten bouwen.


Een andere bekende naam is die van de familie Sikken. Doordat Luigien Sikken (*1779) ui t Exloo in mei 1806 met Hinderkien Oevermans (*1785) trouwt, komt de naam Sikken voor het eerst op Den Oever voor.   Luigien en Hinderkien vestigen zich hier namelijk als landbouwers.   Hinderkien was een dochter van Hindri k Oevermans en Annechien Brinks. Het is aannemelijk dat zij gaan inwonen bij de ouders van   Hinderkien. Het echtpaar Sikken-Oevermanskrijgt acht kinderen: Hindri k    (*1807), Aaltien (*1810), Annechien (*1812), Jantien     (*1815),     Janna     (*1817), Janna (*1819), Ja n (*1821) en Hinderikus(*1824).

In het begin van de 19e eeuw was de familie Sikken in het bezit van twee boerderijen. Hendrik (1807-1868) was eigenaar van de ene,   broer Jan   bezat de andere.

Omdat de oudste zoon Hindrik ongehuwd blijft en de jongste zoon Hinderikus slechts 14 dagen oud wordt, blijft alleen Jan over om voor nageslacht te zorgen voor wat betreft de Sikken-familie op Den Oever.

Hij doet dat ook door in 1849 te trouwen met Aaltien Oevermans, dochter van Jan Oevermans en Stientien Gossen. Jan Sikken bereikt de hoge leeftijd van 86 jaar -hij overlijdt in 1907- terwijl echtgenote Aaltien op de dag af 45 jaar wordt: 18 jul i 1828-18 jul i 1873.

Uit hun verbintenis worden zes kinderen geboren: Luchien (*1851), Stientien (*1854), Hendrik (*1857), Jantien (*1861), Jan (*1864)   en Jantje (*1868).


Jantje trouwt in 1890 met Wolter Ties uit Zuidbarge. De laatste overlijdt in 1907 op Den Oever. Dit echtpaar kwam op de boerderij van de ongehuwde Hendrik (*1857) Sikken, broer van Jantje. Het echtpaar Ties/Sikken hadden drie zoons   en een dochter: Jans (*1890), Jan (*1894), Gezinus (*onbekend) en Stientje (*1896). De dochter van Jan Ties, Annie, is gehuwd met dhr. R(elus) ter Beek uit Coevorden, de huidige Commissaris van de Koningin in Drenthe.

Opmerkelijk is dat twee van deze zes kinderen, Stientien (*1854) en Jan (*1864) worden grootgebracht bij hun grootouders van moederszijde, Jan Sikken en Aaltje Oevermans.

Van de andere kinderen is het met name Hendrik die zijn hele leven op Den Oever blijft wonen waar hij tot 17 december 1896 samen met broer Luchien de boerderij beheert. Op genoemde datum komt de laatste namelijk "ongehuwd ten huize van zijn vader" te overlijden.

Jan die op twee maanden na -hij overlijdt in 1965 te Exloo- 101 jaar wordt, trouwt met Hillechien Elling uit laatstgenoemde plaats. Uit dit huwelijk wordt één dochter geboren: Hinderkien (*1903).

Terug naar de broer van Jan, Hendrik (*1857). Hij trouwt in 1890 met Hillechien Harms uit Noordbarge. Uit dit huwelijk komen vijf kinderen voort: Aaltje (*1890), Margien (*1892), Jan (*1894) Luichina (*1898) en Harmannus (*1903). Het   huwelijk van Jan met Hendrikje Wielens uit Oranjedorp werd gezegend met drie kinderen t.w. Hindrik (*1921), Geesje (*1925) en Hillegienus (*1930). Harmannus en   Hillechien   Wichers uit Zuidbarge kregen twee kinderen: Hindrik (*1931) en Gesina (*1934).

Harmannus overleed in 1995.

Op de foto, genomen door Oosting, zien wij op de voorgrond de boerderij van Harmannus Stel met daar achter het pand van Hendrik Sikken.



De familienaam Stel komt het eerst voor in 1884 wanneer -zoals dit reeds is aangegeven- Harmannus Stel uit Valthe trouwt   met   Jantien Oevermans, in 1849 op Den Oever geboren als dochter van Roelof Oevermans en Jantien Hilbrands. 8). Het echtpaar krijgt twee kinderen : Roelof Marissen (*1888) en Marinus Rudolfus (*1891). Roelof die later met Geesje Padding uit Erm trouwt, blijft als landbouwer op Den Oever wonen.

Marinus kiest voor een totaal ander beroep, n.1. griffier bij de Asser rechtbank. Hij huwt Anne   Martens uit Emmen. Roelof en Geesje krijgen

5 kinderen, n.1 Harmannus (*1915), Jan (*1917), Jantje (*1924) Margaretha (*1929) en Hendrik, die als landbouwer momenteel in het ouderlijk huis woont, komt in 1932 ter wereld. Hij is gehuwd met Riena Kleef, van oorsprong afkomstig uit Roswinkel.    Marinus en Anne hebben 3 kinderen: Jantje, Arendje en Herman Hendrik.


Als huishoudster trad Aaltje Boelen met haar buitenechtelijke zoon Geert bij Harmannus en Jantien Stel- Oevermans in dienst. Op deze wijze is de aanwezigheid van de familienaam Boelen op Den Oever te verklaren.

Uit de Emmer Courant van 19 november 1913 blijkt dat op 17 oktober van dat jaar Jan Boelen en Klaas van Wieren uit Den Oever tijdens cafébezoek Hendrik van Veenen met stokken in elkaar hebben geslagen vanwege het simpele feit dat Hendrik weigerde de twee inwoners van Den Oever op een borrel te trakteren. Boelen en Van Wieren kregen ieder een boete van f.20,=


Tenslotte nog enige familienamen. Zo vestigde zich in 1912 de familie Pathuis zich op Den Oever door een boerderijtje van landbouwer Schirring uit Zuidbarge te pachten. De laatste had vijf hectare heideveld aangekocht om dit stuk land met de bouw van een boerderij via verhuur productief te maken.

De familie Wessels, van oorsprong afkomstig uit Emmererfscheidenveen, kocht in 1920 acht hectare heideveld van landbouwer   Strating   uit Westenesch en liet op dit perceel een boerderij bouwen. Op dat moment stonden er op Den Oever zeven boerderijen, namelijk van de families Wessels, Boelen, Ties, Sikken, Stel, Pathuis en Wever. In verband met de aanleg van de autoweg Emmen- Klazienaveen midden jaren '50 van de 20e eeuw, werden vier daarvan gesloopt: die van de families Wessels,Boelen, Ties en Sikken. Alleen boerderij-Stel, naast die van Sikken, is blijven staan waarop momenteel Hendrik Stel , -zoals reeds is aangegeven-   een   landbouwbedrijf voert. De andere twee nog bestaande boerderijen zijn woonboerderijen geworden. De boerderijen stonden en staan ook nu nog aan de Oevermansweg. In het kader van de Dienst Uitvoering Werken (de DUW) is deze weg in 1935 in zijn huidige vorm aangelegd. Vroeger liep de weg door tot Oranjedorp.


Op de grens met Oranjedorp staan twee boerderijen op gronden die in de 19e eeuw niet geschikt waren om te worden verveend. Hendrik Wielens, gehuwd met Geessien Pepping, kocht daarvan ongeveer 25 hectare en liet daar in 1874 een boerderij op bouwen. Hendrik en Geessien hadden twee zonen, Willem en Jan . De eerste nam de boerderij van zijn vader over terwijl Jan tegenover die van zijn vader een eigen boerderij liet bouwen.9). Hendrikje (*1896), de jongste dochter van Hendrik en Geessien Pepping, komt later op de boerderij van haar broer Jan wanneer ze trouwt met Jan Sikken(*1894), de zoon van Hindrik Sikken en Hillegien Harms.


Noten:

  • Drie podagristen. Drenthe in vlugtige en losse omtrekken geschetst. Koevorden 1843.
  • Was het Bargermeer aan de oostzijde begrensd door de hoge zandrug waarop Den Oever was gelegen, aan de noordkant was een dijk in de richting van Angelslo aangelegd, de Angelsloërdyk. Aan de westzijde liep de grens langs de huidige Bargermeerweg en zette zich voort in de richting van de oude weg tussen Noord- en Zuidbarge die weer op een hoge uitloper van de Hondsrug was gelegen. Ook de zuidkant van het meer liep tot aan het meest zuidelijk gedeelte van de Hondsrug. Hierdoor is te verklaren dat men het Oranjekanaal achter Zuidbarge langs heeft gegraven. In 1861 werd een begin gemaakt met het graven van een verbinding met de Hoogeveenschevaart, de z.g. Bladderswijk.

3) Voor een uitvoerige levensbeschrijving van Jan Oosting zie B.J.Mensingh Toen alles anders was Beilen 2002. Pagina 78 e.v.

4). De gronden waarop boekweit werd verbouwd, werden in de periode april-mei in lange, rechte stukken van ongeveer 10 meter breedte door kleine greppels gescheiden. Hierna werd het d.m.v. een vuurpot of oude emmer, van onderen voorzien van gaten, afgebrand. De inhoud van de pot bestond n.1 uit vuur dat op deze wijze werd verspreid. Daarna werd het bovenste laagje veen van ongeveer 10 a 15 cm los gehakt. In de maanden mei-juni werd de   boekweit gezaaid en in september geoogst Boekweitlmeel) werd door de inwoners van Den Oever nogal eens verhandeld op de markt in Coevorden.

5).Aldus Roelof Oevermans ('1893) op 2 oktober 1940 tijdens een gesprek met Reinder van Dalen. De gegevens heeft hij vooral ontleend aan de herinneringen van zijn in 1842 geboren vader, Geert Oevermans.

"Kousen uit, broek opgestroopt en koe bij de staart" was de mededeling van de heer Frieling uit Oranjedorp in de Emmer Courant van 11 september 1931. Hij reageerde daarmee op H T Buiskool "Historisch Emmen", een serie artikelen die in deze periode in deze krant zijn verschenen,

  • Dit gesprek werd -evenals dat met Roelof Oevermans- indertijd schriftelijk vastgelegd.
  • H.T. Buiskool Zuidoost-Drenthe op weg naar een nieuwe toekomst 11I. Assen 1956.


  • Hermannus Stel was in Valthe zowel landbouwer als onderwijzer.

9) Jan (*1877) overlijdt op 12 november 1913 "na een langdurig en geduldig lijden'in het Academisch Ziekenhuis in Groningen als gevolg van een ongeval met paard en wagen. Doordat het paard op hol sloeg, kwam hij onder de wagen een z.g. wipkar terecht. Hij was gehuwd met Aaltje Nijmeyer. De laatste hertrouwt met landbouwer Koops uit Emmen, wonende aan de toenmalige Weerdinger dwarsstraat. In het pand is nu het Balkan-grillrestaurant   gevestigd.